Opeens hoor ik hem, de bosuil. Het geluid zit ergens tussen huilen en fluiten in. Aan de andere kant van het park antwoordt een specht. Het burengerucht komt hier vooral van vogels. Het vakantiepark ligt er verlaten bij. “Precies wat we nodig hebben,” grijnst Willem. “Rust aan onze kop.”

Vijf minuten eerder heeft hij me opgehaald bij de slagboom. Met de scootmobiel van zijn vrouw. “Als ik moet uitleggen hoe je moet lopen, vind je het nooit.” Brigitte knikt bevestigend en zet koffiemokken op de buitentafel. En stroopwafels. Er hangt een houten vlinder aan hun stacaravan. “Anderhalf jaar wonen we hier nu, en we beginnen de boel eindelijk een beetje op orde te krijgen.”

Makkelijk hebben ze het niet gehad. Maar sinds de schuldhulpverlening hun administratie heeft overgenomen, kruipen ze uit het dal. Ik heb nooit gedacht dat ik nog eens bij de voedselbank terecht zou komen,” zegt Brigitte. “De eerste keren waren verschrikkelijk. Je denkt alleen: als ze me maar niet zien. Ik schaamde me kapot.” Ze neemt een stroopwafel. “Maar je bent niet de enige. En het went.” Willem stoot haar lachend aan. “Maar morgen gaan we uiteten. Dankzij de Quiet Community. Omdat jij jarig bent.”

Nooit ziek

Willem ontmoette Brigitte in Tilburg. In de fietsenzaak van haar man. “Ik kwam voor een fiets, maar ik ging ervandoor met de vrouw van de eigenaar. Die fiets heb ik nooit gehaald. Haha!” Ze betrokken een flatje, trouwden en kochten uiteindelijk een huisje in de Leharstraat. “In 2009 was dat,” zegt Brigitte. “Helemaal naar onze zin. Niet groot, maar we hadden alles wat we nodig hadden. En nauwelijks zorgen.” Die zorgen kwamen wel. En ze kwamen snel. Nog datzelfde jaar kreeg Willem problemen met zijn ogen. Zijn zicht werd minder. Hij zag nauwelijks nog diepte. “Een beetje lastig voor een chauffeur,” gromt hij. “En ik had nooit wat. Geen dag heb ik thuis gezeten. Altijd draaide ik extra uren. Nooit was ik ziek.” Maar toen wel. En goed ook.

Na een bezoek aan de oogarts kwam de diagnose. PXE. Een zeldzame aandoening. Het tast je ogen aan. En je bloedvaten. En je huid. “Kijk maar.” Willem trekt aan zijn wang. Ineens is het of zijn vel een flink aantal maten te groot is. “Vier- tot vijfhonderd mensen in Nederland hebben het,” zegt hij, “het is erfelijk, alleen hadden we er vroeger nog geen naam voor. Je wordt er in ieder geval niet oud mee. Vooral omdat je vaatstelsel verkalkt.”

Hij werd onmiddellijk afgekeurd. “Ze hebben nog wel geprobeerd om ander werk voor me te regelen, maar ik mocht niet veel lopen en ook geen zittend werk doen. Ja, dan houdt het snel op. Na de eerste keuring mocht ik nog wel ambulancechauffeur worden, zeiden ze. Stel je voor: een halfblinde achter het stuur van een ziekenwagen! Haha!” De vooruitzichten zijn niet gunstig, vult Brigitte aan. In Utrecht wordt binnenkort een proef gedaan met nieuwe medicijnen. Daar heeft Willem zich voor aangemeld. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Volière

Er komt een hond aangelopen. Roxy, hun Amerikaanse buldog. Willem loopt er vaak mee door het bos. “Los natuurlijk,” zegt hij. “Dat mag eigenlijk niet, maar Roxy doet geen vlieg kwaad. Als hij een kip tegenkomt, loopt die zo over hem heen. Brigitte knikt. “Mensen zijn soms bang voor hem. Maar er zit niks kwaads in die hond. ‘s Avonds zit hij naast ons op de bank. Hij kijkt tv als een mens.” Roxy vraagt om een stuk stroopwafel en krijgt het. “Onze dieren zijn alles voor ons,” gaat Willem verder. “Wist je dat we binnenkort gezinsuitbreiding krijgen?” Hij knikt naar een kleine volière achter me.

De parkieten hebben eitjes. En een afbeelding van een vlinder op hun kooi, zie ik. Ik hoor een tjiftjaf, ik zie een buldog, ik bespeur zelfs vissen in een vijvertje, maar de vlinders zijn het meest prominent aanwezig. Overal hangen kleurrijke afbeeldingen. Brigitte glimlacht. “Ik heb net iets ingezaaid. Binnenkort hebben we plantjes waar echte vlinders op afkomen. Vlinders staan voor vrijheid. En voor rust. Het belangrijkste dat er is. Willem heeft er zelfs een tattoo van.”

Anderhalf jaar wonen ze hier nu, in Oisterwijk. Permanent. Dat is al die tijd gedoogd. Maar ze mogen niet lang meer blijven. Op 31 december 2016 wordt hun huurcontract beëindigd. Dat geldt overigens voor iedereen op het terrein. Natuurmonumenten, de eigenaar, wil het park teruggeven aan de natuur. Een ander adres hebben ze nog niet. “Zelfs geen postadres,” benadrukt Brigitte. “Wij staan hier bij de gemeente ingeschreven. Dat moet ook wel, want mijn jongste zoon heeft zorg nodig. Veertien is hij, en hij heeft PDD-NOS. Hij heeft hier gewoond, maar zit nu permanent in Boxtel. Dat is voor alle partijen beter.”

100% afgekeurd

Brigitte’s oudste zoon, die zeventien is, woont bij haar ex in Tilburg. Hij komt gelukkig nog regelmatig langs. Zelf is ze niet zo mobiel meer. Ze heeft ernstige artrose. “Fybromialgie. Ook sinds 2009. Een lekker jaar was dat.” Ze verloor haar baan als kapster en is nu 100% afgekeurd. “Daar sta je dan. Net een huis, net getrouwd en opeens valt alles weg. Allebei een uitkering. Maar de overuren van Willem, mijn provisie, alles wat we extra hadden, viel ook allemaal weg. Terwijl de rekeningen wel binnen bleven komen. Gas, water, licht, hypotheek. We durfden niks meer open te maken. Waren bang om post te krijgen. Dat duurde tot pakweg 2013. Toen ging het echt niet meer. Dus hebben we hulp gezocht.” Ze zucht. “We hadden het redelijk luxe, maar we raakten in een enorme dip.” Willem geeft Roxy een aai. “Maar hier maken we ook wel weer wat van,” bromt hij.

Willem heeft een zoon. Hij is 29 en woont in Arnhem. “Daar heb ik best normaal contact mee. Hij komt hier wel eens langs. En hij heeft ons ook al een paar keer uit de brand geholpen. Maar dat hoort niet.” Hij breekt, opeens. “Het was gewoon zo kut. Kreeg ik een bekeuring die ik niet kon betalen. Stond ineens de politie aan de deur. Waar haar kinderen bij waren. Ik voelde me een opgejaagd beest.” Hij zwijgt even en gaat dan verder. “Ik wil mijn zoon niet tot last zijn. Hij weet alles, maar we hebben het er gewoon niet over als hij er is.”

Vlakbij de stacaravan slooft een vink zich uit. Er zitten ook veel herten, zeggen ze. En konijnen. Wilde koeien. “Soms waan je je hier in het Wilde Westen.” Even verderop gaan kampeergordijnen dicht. Willem kijkt me veelbetekenend aan. “We zijn echt niet de enigen.”

Turkije

“Weet je wat het is?” Brigitte schenkt mij het laatste beetje koffie in. “Af en toe hebben we de neiging om alles achter te laten. Om al onze spullen in een auto te gooien en naar Turkije te rijden of zo. De bergen in. Weg. Daar kun je rondkomen van vijf of zes euro per week.” Ze kijkt haar man aan. “Maar zoiets doe je natuurlijk niet…”

“Weet je,” zegt Willem, “veel mensen zeggen dat het je eigen schuld is, als je in zo’n situatie verzeild raakt. Dat dachten wij
ook. Tot het onszelf overkwam. Je zakt er steeds dieper in. Je komt er niet meer uit. Aanmaningen, deurwaarders, rege-lingen. Op een gegeven moment red je het niet meer. We kregen een hypotheekachterstand, de bank heeft ons huis gedwongen verkocht. Het kostte ooit € 185.000, het bracht maar € 120.000 op. Dat hakt er wel in.”

Ze bezuinigen op van alles. Maar het houdt wel een keer op. “We hebben zelfs onze trouwringen verkocht,” vult Brigitte aan.“ Net als alle andere sieraden. Je wilt je kinderen toch een cadeautje kunnen geven hè, als ze jarig zijn. We hebben de ringen vervangen door iets anders.” Willem trekt zijn shirt omhoog en laat een tattoo zien. Twee verbonden harten. “Heeft zij ook. Dit betekent net zo veel als trouwringen. En niemand die dit van ons af kan pakken.”

High-five

Roxy springt op de bank en geeft Brigitte een high-five. Ze moet lachen. Willem ook. “Veel hebben we niet nodig,” zegt hij. “Luxe hoeft niet. Dat dacht ik vroeger altijd wel. We hadden het niet breed thuis. Mijn vader was taxichauffeur. Dat was geen vetpot. Dan wil je later meer. Nu denk ik: een simpel huisje met een klein achtertuintje. Zolang je weet waar je aan toe bent, is alles prima. Als je je maar geen zorgen hoeft te maken. Rust in je leven, dat is het allerbelangrijkste.”